Auteur archieven: leraarklassieketalen

Anneke de Vries

In Trouw stond van de week een ingezonden brief van lerares klassieke talen Anneke de Vries. Aanleiding was een eerder stuk waarin werd betoogd dat leraren te weinig bereid zijn om zich te ontwikkelen. De Vries’ stuk staat niet op de site van Trouw, maar ik vond het hier wel: http://eigenwijsinonderwijs.blogspot.com/2012/01/onderwijs-verandert-niet-snel.html  (eventueel omlaag scrollen naar 4 januari)

Ik kan haar verontwaardiging wel een beetje navoelen. Nascholingsdagen voor classici vind ik meestal nog wel zinvol, maar als er weer zo’n onderwijsadviseur op school verschijnt met een powerpoint over meervoudige intelligentie of het puberbrein (eerste uren moeten worden afgeschaft, want dan is het puberbrein nog niet wakker!), dan denk ik ook: “Ik ga liever naar huis om een boek te lezen.”

Maar een boek lezen (al lees je alle tragedies achter elkaar of leer je de kleine Pauly uit je hoofd) telt niet officieel als nascholing. Daar krijg je geen certificaat voor.

Pensum 1981-1982

In de tijd dat ik op school zat, werd een leraar geacht in de bovenbouw 100 pagina’s Latijn/Grieks te lezen met zijn klas. Ik geloof dat dat destijds meestal niet gehaald werd, maar ik heb toch eens geprobeerd te reconstrueren wat ik op de middelbare school heb gelezen. Aantallen bladzijden zijn wel erg lastig, maar de (meeste) schrijvers weet ik nog wel.

Ik begon bij Latijn en Grieks pas in de vijfde klas met echte teksten. In de vierde waren we nog bezig met Redde Rationem en met Hegemon/Methodos en die kregen we allebei niet uit. (Wel heb ik de bewerking van Plautus na les 50 uit Redde Rationem twee keer gelezen omdat de ene helft van de vierde klas dat in de derde al wel had gelezen en de andere niet)

Bij Latijn begonnen we met Livius. Ik herinner me nog het verhaal over Menenius Agrippa en de secessio plebis en Hannibals overtocht over de Alpen. Ik weet ook nog dat ik het behoorlijk moeilijk vond, opeens zo’n echt stuk Latijn. Verder herinner ik me vagelijk Plinius en misschien ook Seneca te hebben gelezen. Van Vergilius weet ik nog dat we uit boek II lazen over de inname van Troje en stukken uit boek IV. Verder lazen we uit Tacitus over de brand van Rome en heb ik ook een elegie van Tibullus gelezen (I.1). Van Horatius heb ik volgens mij toen niets gelezen en van Ovidius weet ik dat zeker. Het mondeling aan het eind van de zesde ging over de Somnium Scipionis van Cicero. (En we hadden ook nog het een en ander gelezen uit De Amicitia)

Bij Grieks begonnen we met Homeros. Ik herinner me alleen passages uit de Odyssee (in ieder geval Circe). Ik had in de vijfde en in de zesde twee leraren Grieks (ieder 3 uur in de week) en bij de een lazen we Plato: de HELE Crito en ook nog een stuk uit de Meno. Bij de andere leraar lazen we de Antigone (behalve de koorliederen volgens mij alles) en ook nog de biografie van Themistocles van Plutarchus (stukjes). Daarover ging het mondeling examen aan het eind van de zesde. Herodotus heb ik op de middelbare school niet gelezen en ook geen enkele redenaar.

Bij mijn centraal examen in 1982 kreeg ik bij Latijn een tekst van Cicero (uit De Senectute) en bij Grieks een stuk Demosthenes. Latijn was toen makkelijker dan Grieks, weet ik nog.

Als ik dit pensum nu bekijk, vallen sommige teksten op (Plutarchus, Tibullus, Tacitus misschien ook) door hun aanwezigheid, andere door hun afwezigheid: niets van Ovidius en niets van Herodotus. Ik zou het mijn leraar van destijds graag nog willen vragen, maar hij leeft helaas niet meer, dus dat kan niet.

Robert Hughes

In een opwelling kocht ik laatst ‘De zeven levens van Rome’ van Robert Hughes. Het leek me wel iets voor de schoolbibliotheek. Maar ik ben het nu zelf aan het lezen en inmiddels gevorderd tot het einde van de oudheid en ik moet zeggen: dat viel me behoorlijk tegen. Hughes kan weliswaar meeslepend schrijven, maar tijdens het lezen bekroop me steeds vaker het gevoel dat hij had nagelaten een echte kenner zijn tekst voor te leggen. Ik zou me zelfs voor kunnen stellen dat je een stel studenten oude geschiedenis de opdracht zou kunnen geven de fouten eruit te halen. Zo heeft hij het op bladzijde 86 over ‘de beroemde epode van Horatius over Cleopatra’, wat natuurlijk een ode is. Twee bladzijden verder bestaat hij het zelfs om Aeneas aan te merken als de stichter van Rome en meldt hij ook dat Anchises in boek V van de Aeneïs doodgaat. Bij mijn weten wordt daar juist zijn dood, één jaar tevoren, herdacht.

Mary Beard (wel een echte wijsneus) heeft in haar recensie ook nog een paar fouten op een rijtje gezet: http://www.guardian.co.uk/books/2011/jun/29/rome-robert-hughes-review?INTCMP=SRCH  De Volkskrant refereert in zijn recensie daar ook nog aan: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/3001060/2011/10/29/Geen-stad-van-marmer-en-toga-s.dhtml   Hughes is kunsthistoricus en hij schijnt later in het boek beter op dreef te zijn, dus ik lees nog maar even door, ook al vind ik de vertaling ook geen schoonheidsprijs verdienen. Ze komt op mij nogal gemakzuchtig over, met vertalingen als ‘ancestrale systeem’ en ‘emblatische figuur’. Zo is vertalen natuurlijk niet moeilijk. Er zal wel tijdsdruk achter hebben gezeten.

 

 

 

 

Propertius, Sulpicia en Ausonius

Ik kan het soms niet laten mezelf extra werk te bezorgen. Binnenkort ga ik in de vijfde klas poëzie lezen en behalve Horatius wilde ik ook eens wat anders lezen. (En Catullus heb ik al zo vaak gelezen, die sla ik een keer over)

Nu heb ik ooit met twee collega’s Propertius gelezen en dat gedicht (I.3) heb ik nu met nog een andere elegie (I.12) op het programma gezet. Dat betekende wel weer woordenlijsten maken en een werkvertaling, maar dat is allemaal ook best leuk. Ik was zo op dreef dat ik ook nog twee gedichten van Sulpicia heb uitgekozen en twee gedichten van Ausonius over zijn Germaanse vriendinnetje Bissula.

Volgens hem was Bissula’s naam:

Bissulanomen tenerae rusticulum puellae,
horridulum non solitissed domino venustum.

“Bissula, de nogal boerse naam van een verfijnd meisje, een beetje angstaanjagend voor wie er niet aan gewend is, maar voor haar man aantrekkelijk”

 

De digitale toekomst

Onlangs las ik in een folder van Eisma over de plannen die ze hebben op digitaal gebied. Er komt allemaal digitaal materiaal beschikbaar, waardoor onze leerlingen straks van alles achter de computer kunnen oefenen.

Persoonlijk vind ik dat leerlingen al meer dan genoeg achter de computer zitten. Ik heb liever dat ze goede antwoorden in hun werkschrift opschrijven dan dat ze goede antwoorden met de muis gaan verslepen.

Ik zie ook weleens hoe leerlingen woorden leren met een woordoverhoorprogramma. Als je niet helemaal het antwoord geeft dat de computer in gedachten heeft, rekent hij je antwoord fout. (Of als je het verkeerd intypt) Ik vind ook dat leerlingen ook wel veel tijd gaan steken in het overhoren en niet in het op de juiste wijze inprenten.

Wat dat betreft, vond ik het wel interessant dat Primavera Press heeft aangekondigd op de site van Disco ook plaatjes toe te voegen aan woordbetekenissen. Een aardig idee, al kun je natuurlijk ook gewoon je fantasie gebruiken en je zelf een koe voorstellen als je ‘bos’ leert.

Horizon verbreden

Op mijn school moeten we ons binnenkort gaan bezinnen op onze onderwijskundige uitgangspunten. Meestal zit ik dat soort middagen lijdzaam uit: je wordt er om de oren geslagen met nietszeggend jargon of met open deuren als ‘leerlingen adequaat voorbereiden op de toekomst’.

Zelf zie ik het steeds meer als mijn taak de horizon van mijn leerlingen te vergroten. Ik vind dat ik maar in beperkte mate moet aansluiten bij de belevingswereld van mijn leerlingen. Zij moeten juist leren zich te verplaatsen in de belevingswereld van mensen die anders is dan de hunne. Ons vak is daarvoor natuurlijk uitermate geschikt en vergt het uiterste van de leerlingen. Het is geen sinecure om je te verplaatsen in de gedachten van een schrijver uit een cultuur van een lang vervlogen verleden, die die gedachten ook nog eens in een voor ons ontzettend moeilijke taal verwoordde. Dat is nog eens een lekkere intellectuele kluif om je pubertanden in te zetten!

Top 2000

Al tien jaar lang is de Top 2000 op radio en op tv een groot succes. Blijkbaar vinden veel mensen het leuk om eendagsvliegen te onderscheiden van liedjes met een langere adem. Is er meestal vooral aandacht voor nummers die als voornaamste kwaliteit hebben dat ze nieuw zijn, bij de Top 2000 gaat het vooral om het oude wat nog steeds aandacht verdient en soms ook om het nog relatief nieuwe waarvan gehoopt wordt dat het zal uitgroeien tot een klassieker.

Zo is het eigenlijk ook met ons vak. Veel teksten uit de oudheid worden bijna niet meer gelezen, zelfs niet door classici, maar die paar schrijvers die we onze leerlingen nog wel voorschotelen, hebben blijkbaar iets bijzonders. Steeds opnieuw worden hun kwaliteiten (al moet je je daarvoor wel inspannen) erkend. Wij classici moeten ons dan ook niet laten aanpraten dat we niet genoeg met onze tijd mee gaan, we moeten juist aannemelijk maken dat het nieuwe en actuele waarde heeft.

Verwenste groenteboer

Dankzij een klein berichtje in De Pers van vandaag over een na 80 jaar nu eindelijk eens vertaalde tekst stuitte ik op een wat uitgebreider stuk over de kwestie: http://www.livescience.com/17589-ancient-curse-translated-greengrocer.html  Misschien iets leuks om het nieuwe jaar straks op school mee te beginnen, al zou ik dan eigenlijk nog het artikel uit het ZPE (nr. 177, p. 157-165) erbij moeten hebben. Maar dat staat helaas niet on-line.

(Ik ben trouwens weer terug, na vele maanden)

 

Robert Anker

Sinds vandaag heb ik vakantie. Misschien dat ik het nieuwe boek van Robert Anker, Oorlogshond, straks wel meeneem in mijn rugzak. Het gaat over een leraar klassieke talen, Michiel de Ruyter, die zich afzet tegen wat in het boek het Andere Leren wordt genoemd (Daar is hij wel wat laat mee, vind ik), en die verder cocaxefne snuift met zijn leerlingen en met de mooiste meiden uit de klas naar bed gaat. Een beetje een oudemannenfantasie, lijkt me, en meer passend bij de jaren '70 dan bij de tijd van nu, maar goed: misschien is het toch een mooi en lezenswaardig boek. Hier werd ik geattendeerd op het boek.

6,4

Het einde van het schooljaar is in zicht en dat is te merken, aan mezelf en aan de leerlingen. Neem nou de dag van gisteren. Die begon met de bekendmaking van de eindexamenresultaten van mijn klas: gemiddeld een 6,4. Een cijfer dat ik toch graag wat hoger had gezien, zeker omdat mijn (overigens voortreffelijke, maar 16 jaar jongere) collega in haar (al het hele jaar betere) klas op een 7,0 uitkwam. Wel was het in lijn met de bij de SE's behaalde resultaten en vond ik de behaalde cijfers wel een goede weergave van de kennis en talenten van mijn 21 leerlingen. Mijn beste leerling had voor het CE een 9,5, de slechtste een schamele 3,7.

Volgend jaar heb ik waarschijnlijk weer een zesde klas Latijn, dus leek het me wel een goed idee die klas alvast maar eens met de proefvertaling van dit jaar te confronteren. We zijn toevallig toch al sinds april Vergilius aan het lezen. De klas schotelde ik gisteren ook het officixeble correctievoorschrift voor en dat leidde bij sommigen tot grote verontwaardiging. Veel te streng, vonden ze het. Er waren er zelfs die vonden dat een in de klas breed gedeelde mening minstens zo zwaar zou moeten tellen als de mening van de examenmakers of die van de eigen docent. Quod non…

Verder was het gisteren weer "genieten" geblazen met de tweede klas die maar niet wil accepteren dat ik onverwachte overhoringen geef en die waarschijnlijk volgend jaar mijn mentorklas wordt en met mijn huidige mentorklas, een meestal bijzonder aardige klas, waarin nu toch ook wel het typische derdeklasprobleem voelbaar wordt van leerlingen die volgend jaar naar het atheneum gaan en nu niet al te veel meer willen doen. Er is er zelfs xe9xe9n (een echt probleemgeval, ook in andere lessen) die er nauwelijk toe te bewegen is iets op te schrijven. Gisteren kwam hij niet verder dan bij elke vraag van mijn opdracht 'weet ik niet' neer te zetten en verder stuurs voor zich uit te kijken.

Gelukkig heb ik vandaag vrij. Eerst lekker naar pianoles en dan nog even naar school voor het afscheid van een afzwaaiende conrector.